Wat moet je vooral niet doen bij improviseren?
Je moet niet alles volpraten. Laat stiltes vallen, zoek zijpaden die iets vertellen over het karakter maar niet meteen met het conflict te maken hebben. Je moet ook niet te veel willen bepalen. En je hoeft niet meteen alles te weten - zelfs niet wie je bent. Wees actief en reactief, wissel dat af. Laat niet je partner al het werk opknappen en vice versa.
Waar haal je je inspiratie vandaan als je improviseert?
Uit mijn fantasie, mijn angsten en dromen en ik denk ook gewoon uit een enorme speeldrang en spelplezier. Op de toneelschool deden we niets anders dan associëren, vaak heel geestig en soms ook heel melig, maar je leerde daardoor wel altijd ad rem te zijn en de mogelijkheden van een situatie te doorzien. Of je zag de onmogelijkheden, en probeerde die dan toch uit.
Wanneer werd je het meest verrast door een tegenspeler?
Toen Carly Wijs in een scène aan me vroeg of ze 'papa' tegen me mocht zeggen terwijl ik haar wilde versieren. En in de scène Hamlet, met Leopold Witte en Egbert-Jan Weeber. Ik zei op een gegeven moment tegen Leopold: 'Maar dan speel ik toch Hamlet?'. En toen zei hij: 'Maar Gijs, je bent 70!' Toen moest ik zo lachen.
Waar zit jouw talent bij improviseren?
Ik denk dat ik vrij snel een aantal emoties tot mijn beschikking heb waar ik mee kan spelen. Een goed gevoel voor drama, weten wat werkt, wat niet werkt en wat een cliché is. Dat laatste moet je soms gebruiken, maar meestal vermijden. Je moet het pas gebruiken als je tegenspeler het niet meer verwacht. Daarnaast maak ik gebruik van mijn taalgevoel en timing.
Foto: Leoni Ravestein